Fruit – Kersen – Algemeen

Kersen

Kers (zoete) ( Prunus avium)     /645/ 57/

ENGELS: Cherry

FRANS: Cerise

DUITS: Kirsche, Süsskirsche

 

OMSCHRIJVING : Ronde steenvrucht, 15 tot 35 mm in doorsnee en met een steen van ± 6 mm. De kleur van de vrucht varieert, afhankelijk van het ras, van zwart via purper, helderrood en geel met een rode blos tot oranje- geel. De kleur van het vruchtvlees komt doorgaans overeen met die van de schil; het kan zacht of stevig zijn, afhankelijk van het ras.

OORSPRONG: West- Azië.

PRODUKTIELANDEN: Vrijwel alle gematigde gebieden, zowel in de Oude als de Nieuwe Wereld.

AANVOERTIJDEN: Eind mei tot eind september (diverse produktielanden).

GEBRUIK: Vers eten (ongeschild) of verwerken tot jam, gelei, sap, wijn; gebruiken in taart- en gebaksvullingen, nagerechten, ijs, etc.

HOUDBAARHEID: Bij kamer- temperatuur 2 dagen; in de koelkast tot 6 dagen. VOEDINGSWAARDE: Gemiddeld per 100 g vruchtvlees:

Kcal 70; vitaminegehalte: 110 ie. vitamine A, 10 mg vitamine C.

INDUSTRIËLE VERWERKING:

Op sap, in jam, gelei en vruchtendrank en -siroop, gedestilleerd (o.a. eau-de vie).

 

Algemene informatie

Wat geldt voor verscheidene, al eeuwenlang gecultiveerde leden van de familie van de roosachtige gaat ook op voor de kers: over herkomst en geschiedenis is vrijwel niets bekend. Er zijn in grote lijnen twee soorten kersen: de zoete kers ( Prunus avium) en de zure kers (P. cerasus), waarvan de morel de belangrijkste is. Beide stammen waarschijnlijk uit

Zuid- Oost-Europa en West-Azië; de zoete mogelijkerwijs uit de streek tussen Zwarte en Kaspische Zee, de zure uit het gebied tussen het Zwitserse hooggebergte en de Adriatische Zee. Maar vast staat deze herkomst allerminst. Verwarrend is namelijk, dat omstreeks 2000 v. Chr. in Chinese geschriften al een vrucht is beschreven, die alle kenmerken van de kers vertoont. Hoe dit te rijmen valt met het eerste herkomst- verhaal en wat er klopt van het door anderen geuite vermoeden, dat de kers vanuit China via Rusland en het Midden-Oosten naar Europa kwam, zijn vragen waarop moeilijk een antwoord is te geven. Zeker is slechts, dat Grieken en Romeinen zich al met de teelt en de veredeling van de kers hebben beziggehouden en dat deze steenvrucht thans in nagenoeg alle gematigde klimaatgebieden wordt verbouwd. De belangrijkste produktielanden in Europa zijn:

Griekenland, Italië, Frankrijk, Zuid-Duitsland en België. Vroeger werd de kers in Vrij grote hoeveelheden ook geteeld in noordelijker gelegen streken, onder andere in Nederland, waar de Betuwe en delen van Utrecht, Noord-Brabant en Limburg belangrijke productiegebieden waren.

Deze noordelijke buitenteelt  is echter sterk in betekenis afgenomen, onder andere door de kwetsbaarheid van de kers voor vocht ( scheuren) en door de hoge arbeidskosten. Inmiddels is het telen op laagstam en onder een overkapping gemeengoed geworden waardoor de kersenteelt weer helemaal terug is in Nederland.  Hoewel de cijfers over het aantal uiteenlopen, mag worden aangenomen dat er momenteel zeker een 800, duidelijk van elkaar te onderscheiden rassen zijn. Slechts een klein gedeelte ervan speelt een rol in de beroepsfruitteelt. Van de opbrengst van die teelt wordt zeker 65% verwerkt door de industrie. Belangrijk voor de consument van verse kersen is, dat de steel nog aan de vrucht zit. Zoniet dan zijnde vruchten waarschijnlijk al tijdens het transport aangestoken door rot of schimmel.